Koolmezen zingen boven verkeersherrie uit

Hans Slabbekoorn, Universiteit Leiden, 17 juli 2003

Koolmezen hebben hun communicatie aangepast aan stadslawaai. Daardoor zijn ze waarschijnlijk beter in staat zich te handhaven als broedvogel in drukke verstedelijkte gebieden. De mezen zingen op lawaaierige plekken met gemiddeld hogere registers van hun stem dan soortgenoten die niet wonen in een omgeving waar luide tonen met overwegend lage frequenties de dienst uitmaken. Twee evolutionaire gedragsbiologen van de Universiteit Leiden hebben dit aangetoond. Hun onderzoek staat beschreven in het blad Nature van 17 juli 2003.

Nu stedelijke gebieden, snelwegen en vliegvelden zich als olievlekken over de aardbol uitspreiden is door mensen geproduceerd lawaai bijna alomtegenwoordig geworden. Evolutionair gesproken zorgen luide en lage geluiden van auto's, vliegtuigen en machines voor een nieuwe selectiedruk op dieren die gebruik maken van akoestische signalen. De wereldwijde verstedelijking kan daarom gezien worden als een selectie-experiment van ongekende proporties: welke soorten zullen zich aanpassen, en welke zullen ten onder gaan?

Er is echter nog nauwelijks onderzoek gedaan naar de effecten van geluidsvervuiling op het afnemen van de dichtheid en diversiteit van soorten. Bovendien weten we nog bijna niets over de adaptieve strategieŽn van soorten die zich temidden van alle herrie toch staande weten te houden.

Een voorbeeld van zo'n survivor is de koolmees (Parus major). Oorspronkelijk woonden koolmezen in de bossen, maar tegenwoordig voelen ze zich niet alleen prima thuis in rustige woonwijken, maar ook in lawaaierige stadscentra en in de buurt van snelwegen. De biologen Slabbekoorn en Peet maakten geluidsopnamen in Leiden en Leiderdorp, onder andere langs de A4, en toonden aan dat koolmezen in staat zijn hun zang aan te passen om interferentie met het stadslawaai te voorkomen. Koolmezen die in drukke steden wonen blijken te zingen met een hogere minimum frequentie dan soortgenoten in een rustiger omgeving. Waarschijnlijk leren ze slechts een beperkt deel van hun register te gebruiken, om te voorkomen dat hun communicatie opgaat in het stads- en verkeerslawaai, dat over het algemeen bestaat uit tonen van een lage frequentie. Koolmezen vertonen dus een flexibiliteit in het gedrag die het hun mogelijk maakt te overleven in de nabijheid van menselijke lawaaibronnen. Het niet hebben van een dergelijke flexibiliteit zou omgekeerd wel eens een cruciale factor kunnen zijn voor de achteruitgang van andere soorten.

Bron: website Universiteit Leiden, http://www.nieuws.leidenuniv.nl

home...