Uitspraak RvS over Activiteitenbesluit: Binnenterrein of buitenterrein?

Mark Moerman, Milieudienst Zuid-Holland Zuid, 26 januari 2006

Omwonenden van een school hebben bij de Raad van State beroep ingesteld tegen een gemeentelijk besluit. De gemeente heeft een verzoek tot handhaving afgewezen omdat, in het kort gezegd, het niet duidelijk is of het speelterrein van de school als een binnenterrein of een buitenterrein moet worden beschouwd.

De school valt onder het Activiteitenbesluit. Indien het speelterrein van de school een binnenterrein is, telt het geluid van het speelterrein mee in de beoordeling van het totale geluid van de inrichting. Indien het speelterrein een buitenterrein is, dan telt het geluid niet mee. De motivatie voor het niet meetellen staat in de toelichting van voorschrift 2.18. Het geluid van een buitenterrein valt niet op in het geluid van de omgeving. Een binnenterrein is afgeschermd van het omgevingsgeluid. Het geluid van het speelterrein zal daardoor extra opvallen en moet daarom bij de beoordeling worden betrokken.

In deze zaak staat de vraag centraal of er nu sprake is van een binnenterrein of van een buitenterrein. De StaB heeft hier duidelijkheid over verschaft door het uitvoeren van referentiemeting in de omgeving van de school en op het speelterrein. Op basis van het StaB-advies heeft de Raad van State uitspraak gedaan. Met de uitspraak hebben toezichthouders in twijfelgevallen een handige methode om vast te stellen of een terrein een binnenterrein of een buitenterrein is.

Hieronder de volledige tekst van de uitspraak


Zaaknummer 200801480/1 datum van uitspraak woensdag 17 december 2008 tegen het college van burgemeester en wethouders van Heemstede proceduresoort Eerste aanleg - enkelvoudig Print deze uitspraak rechtsgebied Kamer 2 - Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom E-mail deze uitspraak

200801480/1 Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Heemstede, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (hierna: het college) opnieuw besloten op het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 15 maart 2005 waarbij het college de verzoeken van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de op het perceel Crayenestersingel 37 te Heemstede gelegen Crayenesterbasisschool (hierna: de school) heeft afgewezen. Het college heeft de besluiten van 15 maart 2005 herroepen en in heroverweging de verzoeken van [appellanten]om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de school afgewezen.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 februari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Er zijn nog stukken van [appellanten] ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2008, waar [appellanten], van wie [appellanten A] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Borg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als belanghebbende gehoord de Crayenesterbasisschool, vertegenwoordigd door [algemeen directeur] van de Stichting Openbaar Primair Onderwijs Zuid-Kennemerland.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) aangewezen ten einde nader onderzoek te verrichten.

De StAB heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 september 2008. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college een nieuw besluit genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2007 in zaak nrs. 200609111/1 en 200700489/1, 200700490/1. Het college heeft er hierbij rekening mee gehouden dat op 1 januari 2008 het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer is ingetrokken en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) in werking is getreden.

2.2. [appellanten], omwonenden ten tijde van de besluitvorming in dit geding, hebben betoogd dat de voor de school geldende geluidgrenswaarden in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit worden overtreden. Daarbij is van belang dat het aan de achterzijde van de school gelegen speelterrein niet als binnenterrein als bedoeld in artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit is aangemerkt.

2.2.1. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat uit de beschikbare akoestische rapporten niet valt af te leiden of het speelterrein moet worden aangemerkt als binnenterrein als bedoeld in artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit. Omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding acht het college zich niet bevoegd om handhavend op te treden.

2.2.2. Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit blijft bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20, buiten beschouwing het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

In de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit wordt een buitenterrein omschreven als een voor publiek toegankelijk onbebouwd deel van de inrichting, bijvoorbeeld een tuin of een terras. Hierbij wordt opgemerkt dat de uitsluiting van stemgeluid afkomstig van een buitenterrein feitelijk uitsluitend geldt voor situaties waarbij het buitenterrein aan de straat of een andere openbare ruimte is gelegen. In deze gevallen mag worden aangenomen dat het van dat terrein afkomstige geluid opgaat in het omgevingsgeluid. Echter indien een buitenterrein omsloten is door bebouwing zal het omgevingsgeluid doorgaans veel lager zijn. Stemgeluid zal dan eerder leiden tot overlast. De beoordeling van dergelijke situaties dient overeenkomstig artikel 2.17 te geschieden, aldus de Nota van Toelichting.

2.2.3. Voor zover het college heeft betoogd dat het van het speelterrein afkomstige stemgeluid moet worden beschouwd als stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- en recreatieactiviteiten als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit, overweegt de Afdeling dat de school niet kan worden beschouwd als een inrichting voor sport- en recreatieactiviteiten.

2.2.4. In de Nota van Toelichting wordt bevestigd dat de hiervoor weergegeven regeling in het Activiteitenbesluit met betrekking tot beoordeling van stemgeluid een voortzetting is van de regeling in het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer. In het kader van het Activiteitenbesluit zijn voor de beantwoording van de vraag of het bij de school behorende speelterrein dient te worden aangemerkt als een binnenterrein met name de hoogte van het aldaar heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid alsmede de mate van beslotenheid van de ligging van het speelterrein van belang, hetgeen tot uitdrukking komt in een lager referentieniveau. Indien het referentieniveau ter plaatse van het speelterrein aanmerkelijk lager is dan wanneer dit deel van de inrichting aan de straat of een andere openbare ruimte zou zijn gelegen, bestaat aanleiding het stemgeluid niet uit te sluiten bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting.

2.2.5. Niet in geschil is dat het desbetreffende speelterrein aan alle zijden omgeven is door bebouwing, te weten door het schoolgebouw aan de zuidkant en aan de andere drie zijden door woningen met achtertuinen, welke achtertuinen grenzen aan het speelterrein. Voorts is niet in geschil dat de woonbebouwing niet geheel aangesloten is, maar dat de ruimte tussen de woningen - behoudens ter plaatse van de woning P. Buyslaan 20 en ter plaatse van het toegangspad tot het speelterrein - wordt opgevuld door kleinere opstallen zoals schuurtjes en dergelijke.

2.2.6. Volgens het op 29 september 2008 gedateerde deskundigenbericht van de StAB blijkt uit de door de StAB op 10 en 17 september 2008 verrichte metingen naar het L95 van het omgevingsgeluid dat sprake is van een niveauverschil in omgevingsgeluid tussen de voorzijde en de achterzijde van de betrokken woningen van 4 tot 5 dB. Volgens de StAB heeft het verschil van 5 dB betrekking op de situatie dat - na rekenkundige middeling over beide meetdagen - wordt uitgegaan van de maximaal gemeten verschillen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze geluidmetingen te twijfelen.

2.2.7. Gelet op dit verschil in referentieniveau en de besloten ligging van het speelterrein moet naar het oordeel van de Afdeling het speelterrein van de school worden aangemerkt als een binnenterrein als bedoeld in artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit. Voor het college bestond aanleiding het stemgeluid niet uit te sluiten bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting. De conclusie is dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit

2.3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 30 januari 2008 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heemstede van 30 januari 2008, kenmerk 383549;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heemstede tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Ä 337,63 (zegge: driehonderdzevenendertig euro en drieŽnzestig cent), waarvan een gedeelte groot Ä 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heemstede aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de gemeente Heemstede aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Ä 143,00 (zegge: honderddrieŽnveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Melse lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

191-209.

 

 

home...