Wijziging Beleidsregel trillinghinder spoor

Redactie, 31 mei 2014

De beoordelingssystematiek trillingen van de Beleidsregel trillinghinder spoor van 19 april 2012 is na de vernietiging van de tracébesluiten SIA en SIU op 2 oktober 2013 deels niet meer hanteerbaar. Op 26 maart 2014 is een wijziging van de bestaande Bts gepubliceerd. De Raad van State was van oordeel dat de eerdere versie van de Beleidsregel trillingshinder spoor noodzakelijke elementen miste (zie hier het artikel daarover van Carel Ostendorf).

Toelichting op de wijziging

Algemene toelichting

1. Aanleiding voor de Beleidsregel trillinghinder spoor

De Beleidsregel trillinghinder spoor (hierna: Bts) is in werking getreden met ingang van 19 april 2012 (Stb. 2012, nr. 7532). De Bts heeft tot doel vast te stellen op welke wijze omgegaan wordt met enkele aspecten van trillinghinder bij de vaststelling van een tracébesluit tot aanleg, wijziging of hernieuwde ingebruikneming van een landelijke spoorweg als bedoeld in de Tracéwet. Een specifieke beleidsregel voor het meten en beoordelen van trillinghinder voor personen in gebouwen als gevolg van railverkeer ontbrak. In de praktijk werd gebruik gemaakt van de SBR-richtlijn B, een door de Stichting Bouwresearch opgestelde richtlijn voor het meten en beoordelen van hinder voor personen in gebouwen. SBR-richtlijn B is niet speciaal met het oog op trillingen ten gevolge van railverkeer opgesteld, maar kent wel een paragraaf die daarover bepalingen bevat.

De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) inzake het tracébesluit Sporen in Utrecht (20 juli 2011) en inzake het tracébesluit Sporen in Arnhem (31 augustus 2011) waren aanleiding voor de totstandkoming van de Bts. In de praktijk werd de behoefte gevoeld aan een toespitsing van de richtlijn tot spoorse tracébesluiten met de bedoeling om tracébesluiten te kunnen toetsen op de rechtmatigheid ten aanzien van het al dan niet treffen van maatregelen en de aanvaardbaarheid van trillingen. Daartoe werd de Bts onder meer voorzien van een procedure voor de meettechnische bepaling van de waarde van de Vmax, de maximale trillingssterkte.

2. Aanleiding voor de wijziging van de Bts

Bij uitspraken van 2 oktober 2013 heeft de Afdeling de tracébesluiten Sporen in Arnhem 2012 en Sporen in Utrecht 2012 deeltracé Utrecht Centraal – Houten opnieuw vernietigd vanwege het onderwerp trillinghinder (ABRS 2 oktober 2013, nrs. 201207300/1 en 201209786/1). Naar het oordeel van de Afdeling mist de Bts ‘noodzakelijke elementen om als beoordelingskader te kunnen dienen' om welke reden de beleidsregel geen uitgangspunt had mogen zijn voor de beoordeling van de trillinghinder.

In de uitspraak Sporen in Arnhem 2013 komen de volgende bezwaren van de Afdeling naar voren:

a) Hoewel het uitsluiten van incidenten – omstandigheden die op een baanvak twaalf keer per jaar of minder optreden – volgens de Afdeling niet zonder meer onaanvaardbaar is, is de incidentenregeling in de bijlage van de Bts te ruim geformuleerd.

b) Ten aanzien van het uitsluiten van de twee procent hoogste waarden voor het bepalen van de Vmax ontbreekt een milieutechnische of milieuhygiënische verantwoording. Niet duidelijk is dan of de zogenaamde Vmax nog wel een representatief beeld geeft van de feitelijke trillingbelasting.

c) In de Bts ontbreekt een waarde boven welke trillingbelasting niet meer aanvaardbaar wordt geacht, hetgeen betekent dat indien zich een toename voordoet van meer dan dertig procent van de maximale trillingsterkte in de plansituatie ten opzichte van de bestaande situatie, de Bts geen limiet kent.

d) De Bts mist derhalve noodzakelijke elementen om als beoordelingskader te kunnen dienen. Dit gemis klemt te meer nu op grond van de Bts van de streef- en grenswaarden in de Bts kan worden afgeweken indien op grond van een – in de Bts overigens niet uitgewerkte -doelmatigheidsbeoordeling besloten wordt dat geen doelmatige maatregelen te treffen zijn.

3. Inhoud van de wijziging van de Bts

Dit wijzigingsbesluit bevat een wijziging van de artikelen 4 en 9 en van de bijlage bij de Bts.

De zogenaamde incidentenregeling is geschrapt (zie hierboven in paragraaf 2 onder a). Niet langer worden de twee procent meetwaarden die de hoogste effectieve waarden opleveren, verwijderd uit de dataset (zie hierboven in paragraaf 2 onder b). In artikel 9 is expliciet aangegeven dat een trillingssterkte van meer dan 3.2 niet is toegestaan (zie hierboven in paragraaf 2 onder c). In artikel 9 is enige invulling gegeven aan het doelmatigheidscriterium (zie hierboven paragraaf 2 onder d).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 4

In artikel 4, tweede lid, worden eisen gesteld aan de toelichting bij een tracébesluit, waarbij sprake is van een bestaande situatie. Aan dat artikellid wordt een nieuw onderdeel toegevoegd. In de toelichting bij een dergelijk tracébesluit zal gemotiveerd ingegaan moeten worden op de meettechnische bepaling, bedoeld in de bijlage, de keuzes die daarbij gemaakt zijn en de verantwoording van de resultaten. Soms kan ook in bestaande situaties niet gemeten worden, bijvoorbeeld omdat de bestaande infrastructuur nog niet in gebruik is genomen. In dergelijke situaties zal net als bij nieuwe situaties van een rekenmethode gebruik gemaakt worden. In de toelichting van het tracébesluit zal dan ingegaan worden op de de keuzes die daarbij gemaakt zijn en een verantwoording worden gegeven van de resultaten.

Artikel 9 doelmatigheid

Gelimiteerd systeem
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bts is de SBR-richtlijn B van toepassing met uitzondering van onder meer bijlage V, waarin de zogenaamde hinderkwalificaties zijn opgenomen. Bij een Vmax van meer dan 3,2, zo staat in de richtlijn, is er sprake van ernstige hinder. Onder de tabel is aangegeven dat ernstige hinder niet is toegestaan.

Uit de artikelen 6 en 7 van de Bts blijkt dat er ook in de Bts sprake is van een gelimiteerd systeem, waarin staat uitgeschreven wanneer maatregelen getroffen moeten worden. In artikel 9 echter stond dat de onder meer in die artikelen voorgeschreven maatregelen achterwege kunnen blijven indien de maatregelen niet doelmatig zijn.

Ook met toepassing van de Bts dient gewaarborgd te zijn dat ernstige hinder niet toelaatbaar is. Om die reden is in artikel 9, tweede lid, de bepaling opgenomen dat maatregelen niet achterwege kunnen blijven als zonder die maatregelen de Vmax-waarde van 3,2 wordt overschreden.

Invulling doelmatigheidscriterium

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in artikel 9, derde lid, invulling aan het doelmatigheidscriterium te geven; voorgeschreven zijn de elementen en de werkwijze van een zogenaamde MKBA-systematiek. Daaraan liggen onderzoeken naar de uitwerking van het doelmatigheidsprincipe ten grondslag, die door Witteveen+Bos, Royal Haskoning-DHV en TNO zijn opgesteld. Op individueel projectniveau wordt, als gebruik wordt gemaakt van een doelmatigheidsafweging, in de toelichting bij het tracébesluit ingegaan op de prijs van de maatregel en de waarde van de baten, waarmee het al dan niet treffen van maatregelen omwille van de doelmatigheid gemotiveerd wordt. De opsomming van artikel 9, derde lid, is niet limitatief. Zo zal – nu in onderdeel c gesproken wordt van het gehanteerde normbedrag per woning – in de toelichting ook ingegaan worden op de normbedragen die gehanteerd worden als het gaat om gebouwfuncties, niet zijnde woningen (zoals onderwijs, kantoor, zorginstellingen).

Bijlage

Fundering van het pand als positie voor een meetpunt

In het eerste onderdeel is een volzin toegevoegd dat in aanvulling op paragraaf 8.2.4. van de SBR richtlijn B ook de fundering van het pand, conform de indicatieve methode van SBR richtlijn A, als positie voor een meetpunt in overweging kan worden genomen. Deze volzin kan gezien worden in het licht van het gewenste maatwerk voor het doen van onderzoek naar trillinghinder. Het meetpunt aan de fundatie kan worden gebruikt voor de beoordeling van de toename vanwege het project door vergelijking van een nameting met de nulmeting.

Meetduur

In het nieuwe tweede onderdeel is, anders dan in het oorspronkelijke Bts, bepaald dat de meetduur ten minste een week bedraagt.

Schrappen van de incidentenregeling

In de Bts was de volgende procedurestap opgenomen: ‘Uit de dataset worden resultaten verwijderd die samenhangen met een passage waarvan uit een analyse blijkt dat de omstandigheden (snelheid, voertuigtype, spoorgebruik) op het betreffende baanvak twaalf keer per jaar of minder optreden.’

Bovenstaande stap kon aanleiding geven tot verwarring aangezien door de opsomming van drie omstandigheden en het twaalf keer per jaar kunnen optreden van die omstandigheden de conclusie zou kunnen worden getrokken dat er 36 incidenten konden worden verwijderd. In de praktijk is er zelden sprake van een incident, bij de tracébesluiten Sporen in Arnhem 2012 en Sporen in Utrecht 2012 hebben zich in de meetperiode ook geen incidenten voorgedaan. Besloten is dan ook om de procedurestap te schrappen.

Schrappen van de aftrek van twee procent meetwaarden

In de Bts was na de procedurestap inzake de incidentenregeling de volgende stap opgenomen: ‘Uit de dan verkregen dataset worden voor de dag en de nacht periode afzonderlijk de twee procent meetwaarden verwijderd die de hoogste effectieve waarde opleveren (hiermee wordt beoogd de ‘uitschieters’ uit de dataset te verwijderen).’

Deze procedurestap (het zesde onderdeel) is anders ingevuld. Reden voor het in de oorspronkelijke Bts opnemen van een meettechnische bepaling in afwijking en ter aanvulling van die uit de SBR-richtlijn B, was dat de onverkorte toepassing van die richtlijnmethode slecht scoorde op de indicatoren reproduceerbaarheid en plausibiliteit. Naar het oordeel van de Afdeling ontbreekt echter bij het uitsluiten van de twee procent hoogste waarden een milieutechnische of milieuhygiënische verantwoording en is het de vraag of de zogenaamde Vmax dan nog wel een representatief beeld geeft van de feitelijke trillingbelasting. Met het enkel niet langer schrappen van de twee procent hoogste waarden ontstaat echter geen meettechnische bepaling die voldoet aan de in de toelichting bij de Bts genoemde indicatoren, wordt niet verzekerd dat een dergelijke 100%-bepaling een representatief beeld geeft en is de milieutechnische of milieuhygiënische verantwoording niet gegeven. Te allen tijde dient een bewerking van de meetresultaten plaats te vinden om te komen tot een representatief beeld van de trillingssterkte. Het nieuwe zesde onderdeel wil in combinatie met het nieuwe tweede onderdeel het streven naar 10% reproduceerbaarheid verankeren, hetgeen in de regel bereikt wordt met een meetduur van een week. Als de onzekerheid groter is dan 10% betekent dat niet dat er sprake is van een niet reproduceerbaar resultaat. In die gevallen dient de toetswaarde bepaald te worden op grond van een nadere berekening, al dan niet in combinatie met een langere meetduur. In opdracht van het ministerie is in aanvulling op de statistische bewerking zoals aangegeven in paragraaf 9.6 van SBR richtlijn B door TNO/Level methodiek voor de bepaling van de toetsingswaarde voor Vmax ontwikkeld. Deze methode beschrijft hoe de meetprocedure en de dataverwerking moet plaatsvinden. Door deze toevoegingen op de methodiek van SBR richtlijn B blijkt dat de uitkomst van de bepaling van Vmax zal leiden tot een nauwkeuriger resultaat. In de regel zal gebruik gemaakt worden van Level memo LA.131001a M04. In de toelichting van het tracébesluit (zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 4, tweede lid, hierboven) wordt gemotiveerd ingegaan op het verrichte trillingsonderzoek, opdat op navolgbare wijze inzicht kan worden verkregen over de eventuele toename van de trillingssterkte en het al dan niet treffen van maatregelen.

Bron: Staatscourant, Geconsolideerde beleidsregel