RIVM-meting geluid rijkswegen weer 2 dB hoger dan berekening

Redactie, oktober 2017

In 2012 zijn geluidproductieplafonds (GPP’s) ingevoerd voor rijkswegen- en (hoofd)spoorwegen op referentiepunten aan weerszijden langs de rijksweg en het spoor. De jaarlijkse geluidproductie (Lden in dB) op de referentiepunten dient onder een wettelijk plafond te blijven. De geluidproductie wordt jaarlijks door de weg- en spoorbeheerder berekend over het voorafgaande kalenderjaar. De Wet milieubeheer (Wm) bepaalt voorts dat een meetprogramma wordt uitgevoerd met een steekproefsgewijze validatie van de berekende geluidproductie en onderliggende rekenmethode. Dit meetprogramma wordt sinds 2012 in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu uitgevoerd door het RIVM.

Het RIVM heeft geluidniveaus gemeten op 38 punten langs rijkswegen. Die lagen in 2015 gemiddeld 2 decibel hoger dan de berekende waarden. Op de 39 meetlocaties langs het spoor kwamen de gemeten en berekende geluidniveaus in 2015 gemiddeld met elkaar overeen. Dit beeld stemt overeen met de voorgaande jaren 2013 en 2014.

Op de afzonderlijke punten, zowel bij rijkswegen als het spoor, variëren verschillen ten opzichte van het gemiddelde. Bij de weg liggen de metingen tussen 2 decibel lager en 6 decibel hoger dan de berekende waarden, afhankelijk van het type en de lokale staat van het wegdek. Hieronder staan de verschillen (v15 en v14) tussen meet- en rekenwaarden uit 2015 en 2014 op de steekproef van referentiepunten uit 2015.
(Tekst loopt door onder de afbeelding.)

Verklaring verschillen

Bekende oorzaken van verschillen tussen meet- en rekenuitkomsten langs rijkswegen zijn:

  • de wettelijke aftrek art. 5.11 RMG 2012, vooruitlopend op stiller verkeer. Op ZOAB en 2-laags ZOAB (DZOAB) bedraagt de aftrek 1 dB en op fijn 2-laags ZOAB (FLZOAB) en andere wegtypen 2 dB. Praktijkmetingen waaronder de meetreeksen die het RIVM uitvoert, kunnen effecten van bronbeleid tot nu toe echter niet duidelijk aantonen.
  • de meteorologische invloed van neerslag en temperatuur. De rekenmethode [RMG 2012] gaat uit van droge wegdekken. Aangezien de wegdekgesteldheid daar niet het hele jaar aan voldoet, werkt hoger niveau bij een nat wegdek daarmee (licht) verhogend op het verschil tussen meten en rekenen.
  • lokale variaties in de wegdekgesteldheid. De wegdekcorrectie in de rekenmethode geeft een gemiddelde geluidreductie over de levensduur van het wegdek ten op zichte van een standaard dicht asfaltbeton (DAB) en is daarmee over de levensduur constant. Op de weg laat de geluidreductie van poreuze wegdekken (ZOAB, (F)DZOAB) een tijdsverloop zien met aanvankelijk een hoge en daarna geleidelijk afnemende geluidreductie. Hierdoor kan er bij een meting verschil zijn tussen de werkelijk aanwezige geluidreductie van het wegdek en de gemiddelde waarde over levensduur volgens het RMG 2012.

Bron (met rapport): RIVM