Auteurs: Daniëlla Nijman en Janneke van Eekeren, Halsten advocaten

Een selectie van de uitspraken die in maart 2026 zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). Over het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol, cumulatie met luchtvaartlawaai, de inpassing van woningbouw nabij bedrijvigheid, evenementenregelingen en slapeloze nachten door een warmtepomp.
Luchtvaartlawaai
Luchthavenverkeersbesluit Schiphol: 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1400
Wijziging Luchthavenverkeerbesluit Schiphol
Bij koninklijk besluit van 6 mei 2025 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) gewijzigd. Er wordt een wettelijk maximum ingevoerd van 478.000 vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar voor het etmaal, waarvan maximaal 27.000 vliegtuigbewegingen in de nachtperiode (23:00–07:00 uur). Met dit besluit heeft de minister een grens willen stellen aan de geluidbelasting van het gebruik van Schiphol, met het oog op de belangen van omwonenden.
Aanvechting door meerdere partijen
Het LVB wordt door meerdere partijen aangevochten. Luchtvaartmaatschappijen en brancheorganisaties vinden dat het LVB leidt tot een onaanvaardbare beperking van het aantal vliegtuigbewegingen. De drie omliggende gemeenten en diverse omwonenden vinden daarentegen dat een verdergaande reductie van het aantal vliegtuigbewegingen noodzakelijk is.
Stelsel met handhavingspunten
De Afdeling zet uiteindelijk een streep door het nieuwe LVB. De reden is dat een maximumaantal vliegtuigbewegingen weinig zegt over de feitelijke geluidbelasting. Op grond van de Wet luchtvaart kan de minister een grenswaarde opnemen voor de geluidbelasting. In het Luchthavenverkeersbesluit uit 2008 (LVB 2008) zijn 35 handhavingspunten opgenomen voor de geluidbelasting gedurende het etmaal (grenswaarde: 63,46 dB(A) Lden) en 25 handhavingspunten voor de nacht (grenswaarde: 54,44 dB(A)). Dit stelsel bepaalt feitelijk het maximale aantal vliegtuigbewegingen waarbinnen de luchthaven kan opereren — in de praktijk omgerekend 400.000 tot 420.000 bewegingen per jaar.
Het Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel (NNHS)
Omdat het handhavingspuntenstelsel als onvoldoende flexibel werd ervaren, werkt Schiphol in de praktijk al jaren op basis van het niet-wettelijke Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel (NNHS). Dit houdt in dat er maximaal 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar zijn toegestaan, gecombineerd met regels voor strikt preferentieel baangebruik. Daarbij wordt het verkeer zoveel mogelijk op de meest preferente baan afgehandeld, zodat per saldo de minste geluidsoverlast voor omwonenden ontstaat. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) gedoogt op aanwijzing van de minister de overschrijding van de wettelijke grenswaarden in de handhavingspunten, zolang het NNHS wordt nageleefd. Dit zogeheten “anticiperend handhaven” is het resultaat van afspraken die tot stand zijn gekomen aan de Alderstafel Schiphol (thans de Omgevingsraad Schiphol). Het stelsel is nooit wettelijk verankerd.
Twee fundamentele gebreken
Met het besluit van 6 mei 2025 beoogde de minister het NNHS-maximum van 500.000 bewegingen feitelijk te verlagen naar 478.000 en dit wettelijk te verankeren als grenswaarde voor de geluidbelasting in de zin van artikel 8.17, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wet luchtvaart (Wlv).
De Afdeling oordeelt ten eerste dat de minister hiermee het karakter van de grenswaarde voor de geluidbelasting miskent. Een maximumaantal vliegtuigbewegingen stuurt niet op milieueffecten, maar op capaciteit: de geluidbelasting kan immers fluctueren naargelang het type vliegtuig, de gebruikte baan en het vlieggedrag. De handhavingspunten zijn met het besluit van 6 mei 2025 bovendien ongewijzigd gebleven, zodat geen lager geluidsmaximum voor die punten tot stand is gekomen. De minister heeft evenmin inzichtelijk gemaakt hoe het maximumaantal vliegtuigbewegingen zich verhoudt tot de werking van die handhavingspunten, terwijl het anticiperend gedogen van overschrijdingen gewoon doorloopt. De Afdeling concludeert dat het besluit op dit punt ontoereikend is gemotiveerd.
Ten tweede oordeelt de Afdeling dat de minister uitsluitend heeft beoogd om het niet-wettelijk vastgelegde NNHS van 500.000 vluchten alsnog als wettelijk verankerd te beschouwen, om dit vervolgens te limiteren tot 478.000 vluchten. Dat het NNHS al vijftien jaar wordt gehanteerd en op verschillende terreinen draagvlak bestaat voor de toepassing ervan, maakt niet dat het stelsel alsnog gebruikt kan worden alsof het is verankerd in de Wlv of de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten. De Afdeling oordeelt dan ook dat de minister bij de beoordeling of het besluit voldoet aan artikel 8.17, zevende lid, Wlv geen betekenis heeft kunnen toekennen aan het NNHS.
Vernietiging en voorlopige voorziening
De Afdeling vernietigt het besluit. Daarmee schieten de appellanten echter weinig op: de beoogde vermindering van het aantal vluchten komt hierdoor immers nog steeds niet tot stand. De Afdeling treft daarom een voorlopige voorziening, die inhoudt dat er maximaal 27.000 vliegtuigbewegingen met handelsverkeer mogen plaatsvinden per gebruiksjaar in de nachtperiode. Dit nachtmaximum was bij geen van de partijen omstreden en zal naar verwachting feitelijk niet worden overschreden. De voorziening vervalt zodra het nieuwe LVB, dat al in voorbereiding is, in werking treedt.
Bestemmingsplan ‘De Scheg Midden’, Amstelveen: ABRvS 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1233
Het bestemmingsplan “De Scheg Midden” maakt de bouw van 457 woningen mogelijk in een van de drie deelgebieden van de nieuwe woonwijk De Scheg in Amstelveen. Onderdeel van het plan is de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg die is voorzien aan de achterzijde van de woningen van appellanten, op circa 21 tot 33 meter achter hun percelen. Voorafgaand aan de planvaststelling heeft het college op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) hogere waarden vastgesteld van respectievelijk 49 dB en 51 dB voor het geluid van deze ontsluitingsweg op de woningen van appellanten.
Luchtverkeerslawaai hoeft niet mee in cumulatieberekening Wgh
Appellanten betogen dat luchtverkeerslawaai ten onrechte niet is meegenomen in de cumulatieberekening. De Afdeling oordeelt dat de Wgh hiertoe geen verplichting biedt: de woningen liggen buiten een beperkingengebied als bedoeld in de Wet luchtvaart. Het ontbreken van luchtvaart in de cumulatieberekening kan het besluit tot vaststelling van hogere waarden daarom niet aantasten.
Wel relevant in het kader van goede ruimtelijke ordening
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is deze cumulatie echter wel degelijk relevant. De gemeente heeft dit ten onrechte niet onderzocht.
In het deskundigenbericht van de STAB staat over het luchtverkeerslawaai bij de woningen van appellanten dat hiervoor volgens informatie van het RIVM een geluidniveau van 49 dB geldt. Wanneer dit geluidniveau wordt omgerekend naar wegverkeerslawaai komt het geluidniveau uit op 55 dB. Dit is volgens de Afdeling een niveau dat de raad niet zonder meer buiten beschouwing mocht laten.
Herstel motiveringsgebrek
Het bestemmingsplan is daarmee vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en wordt vernietigd. De Afdeling laat de rechtsgevolgen evenwel in stand, omdat de raad het gebrek heeft hersteld met een aanvullend akoestisch onderzoek. Uit dat onderzoek blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting, inclusief luchtverkeerslawaai, met maximaal 3 dB toeneemt tot maximaal 60 dB. De raad acht dit aanvaardbaar: de toename is weliswaar waarneembaar, maar leidt niet tot een ingrijpende verslechtering van het akoestisch klimaat. De kwalificatie blijft “matig” en de geluidsbelasting blijft ruim onder de grens uit de gemeentelijke Beleidsnota geluid. Daarnaast heeft de gemeente mogen meewegen dat de woningen beschikken over een geluidluwe gevel.
Het motiveringsgebrek is hiermee hersteld. Het bestemminsplan haalt de eindstreep en kan worden uitgevoerd.
Ruimtelijke plannen
Om in een bestemmingsplan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen bij een transformatie van een (deel van een) bedrijventerrein of bedrijfsgebied of het toestaan van woningbouw naast een bedrijf, is het belangrijk om nauwkeurig in beeld te hebben waar de bestaande bedrijvigheid uit bestaat en wat daarvan de effecten zijn. Aan de hand daarvan kunnen de juiste akoestische maatregelen worden getroffen om geluidhinder tegen te gaan of te beperken. Die maatregelen moeten ook goed worden geborgd in het bestemmingsplan, anders is het risico aanwezig dat de Afdeling er een streep doorheen zet. Dat blijkt maar weer eens uit enkele uitspraken die hieronder worden beschreven.
Transformatie deel bedrijventerrein naar woningbouwlocatie Steenbergen: ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1525
De gemeente Steenbergen wenst een deel van het bedrijventerrein Molenkreek om te vormen naar een woongebied, vanwege een grote woningbouwopgave. Dat kan zeker, maar in het bestemmingsplan moeten dan wel de te nemen maatregelen goed zijn vastgelegd, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd.
Om te weten welke maatregelen genomen moeten worden, moet goed in beeld zijn gebracht wat de akoestische belasting van de omliggende bedrijven is op basis van de RBS, zodat de juiste maatregelen kunnen worden opgenomen in het bestemmingplan.
Onderzoeksplicht en medewerking bedrijf
Opmerkelijk in deze zaak was dat een van de huurders van een van de bedrijfspanden, niet wenste mee te werken aan het geven van inzicht in haar RBS. De eigenaar van het bedrijfspand had via een invulformulier wel het een en ander opgeschreven over de RBS van haar huurder, maar dat bleek achteraf niet helemaal te kloppen. De gemeente was nog achter de huurder aangegaan om de juiste informatie te ontvangen. Omdat de huurder die niet gaf, was de Afdeling van mening dat de gemeente uit mocht gaan van de informatie die de eigenaar op het invulformulier had opgenomen. De gemeente had aan haar onderzoeksplicht voldaan. Of dat tot problemen zal leiden in de toekomst, wordt niet duidelijk uit de uitspraak.
Beoordeling maximale planologische mogelijkheden
Om de juiste geluidmaatregelen te kunnen opnemen in het bestemmingsplan, is het belangrijk om de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan geeft akoestisch te beoordelen. Dit geldt zowel aan de kant van het bedrijf als de nieuwe woningbouw. Vergunningsvrije bouwmogelijkheden en mogelijkheden op basis van een afwijkingsbevoegdheid, moeten daarin worden meegenomen. Dat ging hier fout aan de kant van de woningbouw, omdat met deze ‘extra’ bouwmogelijkheden geen rekening was gehouden in het akoestisch onderzoek. Dit is wel direct gerepareerd.
Borging geluidwerende maatregelen
Geluidwerende maatregelen die aan de woningen moeten worden getroffen (geluidwering aan de gevel o.a. voorzetramen, kierdichting en/of extra isolatie, een dove gevel en een geluidscherm) en die ook moeten worden in stand gehouden, moeten goed zijn geborgd in het bestemmingsplan. Dat ging in deze zaak ook fout.
Weliswaar was via een weigeringsgrond in een planregel opgenomen dat er niet gebouwd kon worden als deze maatregelen niet zouden worden getroffen, maar daarmee was niet geborgd dat de woningen ook niet konden worden gebruikt indien deze maatregelen niet waren getroffen. Om te kunnen handhaven is dat wel essentieel. Dat moet dus nog worden aangepast in de planregel. Meestal gebeurt dat met een voorwaardelijke verplichting. De gemeente krijgt van de Afdeling de kans om dit te herstellen.
Vooruitlopen op stellen maatwerkvoorschriften
In deze zaak was het ook nodig om maatwerkvoorschriften te stellen voor de inrichtingen die de geluidbelasting veroorzaken. Er moest een hogere geluidbelasting worden toegestaan. De discussie was of dit maatwerkbesluit al genomen moest zijn voordat het bestemmingsplan zelf was vastgesteld. Dat is niet zo, aldus de Afdeling. Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Afdeling, stelt de Afdeling dat de noodzaak tot het nemen van een maatwerkvoorschrift in het bestemmingsplan moet zijn geborgd in relatie tot het verstrekken van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. Daarbij is relevant dat de gemeente er op voorhand redelijkerwijs van uit moet kunnen gaan dat de maatwerkvoorschriften stand kunnen houden in een beroepsprocedure (ECLI:NL:RVS:2025:1170). In een zaak als dit is dat doorgaans geen probleem, omdat de beoogde verruiming van de geluidnorm ten gunste is van het bedrijf in kwestie.
Laden en lossen
Specifiek voor deze zaak is dat de geluidbelasting wordt veroorzaakt door het laden en lossen van vrachtverkeer. Deze activiteiten in de dagperiode zijn uitgezonderd voor het maximale geluidniveau. Dat is volgens de Afdeling echter geen zelfstandige reden om te stellen dat er bij overschrijding van die geluidnorm overdag dus zonder meer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De aanvullende motivering van de gemeente is wel voldoende, namelijk dat het om een gemengd gebied gaat met maximaal milieucategorie 2-bedrijven en dat de binnenwaarde in de woningen door de gevelwering niet hoger dan 35 dB(A) zal zijn. Dat maakt dat er toch geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Omzetting bedrijfswoningen
Tot slot werden in dit bestemmingsplan bestaande bedrijfswoningen omgezet naar een burgerwoning, mede omdat ze feitelijk al als zodanig werden gebruikt. Een van de eigenaren stelde dat dit niet zonder meer mogelijk was, omdat niet was aangetoond dat voor deze woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat was geborgd. Onder meer was de geluidbelasting van de inrichting waartoe de woning oorspronkelijk behoorde niet in beeld gebracht. Dat is een terecht punt. Het feit dat de bedrijfswoning al als burgerwoning wordt gebruikt, doet daar niet aan af. De Afdeling oordeelde dat ook dit gebrek nog moet worden hersteld.
Transformatie bedrijventerrein naar woningbouwlocatie Brakel, ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1695
In Brakel wordt beoogd woningbouw toe te staan in een gebied met diverse bedrijven en bedrijfswoningen. Om dit mogelijk te maken wordt onder meer een bedrijf wegbestemd. Een glastuinbouwbedrijf voor orchideeën blijft wél bestaan en vreest dat de nieuwe woningbouw haar bedrijfsvoering belemmert. Het bedrijf legt een contra-expertise over waaruit blijkt dat de geluidsmetingen onjuist zijn uitgevoerd, waardoor de geluidniveaus van de bedrijfsvoering zijn onderschat.
De gemeente erkent dit en vraagt een geluidsdeskundige de contra-expertise te beoordelen. De deskundige concludeert dat het toepassen van de juiste worst-case-uitgangspunten impact heeft op de conclusie over het maximale geluidsniveau. Met name de bronsterkte van heftrucks op het buitenterrein is daarbij bepalend. Op basis van de maatregelen die al in het bestemmingsplan zijn opgenomen (dove gevel en minimale geluidwering) kan niet volledig worden uitgesloten dat de voorziene woningbouw een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van het glastuinbouwbedrijf. De deskundige geeft echter aan dat dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld, omdat het mede afhankelijk is van het stedenbouwkundig plan, dat ten tijde van zijn rapport nog niet beschikbaar was.
De gemeente gaat vervolgens iets te kort door de bocht, aldus de Afdeling. De gemeente stelt dat de al getroffen maatregelen in het bestemmingsplan voldoende zijn, ook al wordt niet overal voldaan aan de maximale geluidniveaus. Aanpassing of uitbreiding van die maatregelen zou volgens de gemeente alleen aan de orde zijn bij het worst-case-scenario. Voor een aantal woningen kan dit relevant zijn, maar de gemeente meent dat in een later stadium kan worden bepaald of – en zo ja welke – aanvullende voorzieningen nodig zijn (zoals dove gevels).
Dat is echter te laat aldus de Afdeling. Zij oordeelt dat bij het vaststellen van – in dit geval – het eerste herstelbesluit de gemeente onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de bedrijfsvoering van de glastuinbouwer.
Duidelijk is geworden dat bepaalde nieuw te bouwen woningen geluidsoverlast zullen ondervinden van het glastuinbouwbedrijf bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Deze woningen zullen aldus zorgen voor belemmeringen voor de glastuinbouwer en dat kan niet. De gemeente krijgt de kans om haar bestemmingsplan nogmaals te herstellen.
Woonbestemming naast rietdekkersbedrijf te Someren, ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1530
Dit bestemmingsplan is al twee keer hersteld, maar haalt toch de eindstreep niet. Het is de bedoeling om met dit bestemmingsplan een woonbestemming toe te kennen aan een perceel, direct naast een rietdekkersbedrijf.
Het akoestisch rapport dat ten grondslag ligt aan het tweede herstelbesluit, is volgens het rietdekkersbedrijf nog steeds ontoereikend. Het rietdekkersbedrijf veroorzaakt in de avond en in de nacht overschrijdingen van de maximale geluidniveaus vanwege laad- en losactiviteiten.
Anticiperen op niet-geluidgevoelige gevel Omgevingswet niet mogelijk
Voor de west- en de zuidgevel van de woning is bepaald in het bestemmingsplan dat deze gevels doof moeten zijn. Dit is echter voor de zuidgevel niet mogelijk, omdat daar al ramen van de slaapkamers aanwezig zijn en die gevel dus niet geheel gesloten kan worden uitgevoerd. Daarom is in de planregels bepaald dat voor die gevel een uitzondering geldt op de eis van een dove gevel, door een alternatief met voorzetvensters mogelijk te maken, mits daarmee een geluiddemping van ten minste 14 dB(A) wordt bewerkstelligd. Een dergelijke alternatieve maatregel is niet toegestaan op grond van het Activiteitenbesluit, maar wel op grond van de Omgevingswet, aldus de gemeente. De Omgevingswet maakt het volgens de gemeente mogelijk om met bouwkundige maatregelen een niet-geluidgevoelige gevel te creëren.
Dit vooruitkijkende of anticiperende ‘trucje’ mag echter niet worden toegepast, aldus de Afdeling. Dit pakt zuur uit voor de gemeente. De Afdeling oordeelt dat de Omgevingswet niet van toepassing op dit tweede herstelbesluit, omdat het ontwerp-bestemmingplan ter inzage is gelegd op 11 juli 2019 (bijna 7 jaar geleden). Uit artikel 1.1. Activiteitenbesluit en artikel 1 en 1b lid 4 Wet geluidhinder blijkt dat een gevel met de door de gemeente bedoelde voorzetvensters niet is uitgezonderd van het in het Activiteitenbesluit gehanteerde begrip “gevel”. Op een gevel met voorzetvensters moet dus worden voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit.
Nieuw besluit met toepassing Omgevingswet
Een derde kans om het bestemmingsplan te herstellen kan de Afdeling niet geven aan de gemeente. De conclusie is dus dat de bestemming ‘wonen’ wordt vernietigd. De Afdeling schrijft daar nog bij dat op een nieuw besluit wel de Omgevingswet van toepassing is. Misschien lukt het de gemeente om in poging 3 wel de beoogde juridische constructie goed toe te passen.
Bestemmingsplan “Evenemententerreinen Nederhorst den Berg”: ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1543
Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor twee bestaande evenementen op het parkeerterrein aan de Blijklaan:
- Nederhorst on Ice (winter): een ijsbaan inclusief verwarmde horecaruimte (“Bergstube”), gedurende ruim zes weken georganiseerd door IJsclub Nederhorst den Berg.
- Zomerspektakel (zomer): een kortdurend meerdaags evenement georganiseerd door Stichting Nederhorst den Berg Actief.
Het plangebied ligt op circa 14 meter van de dichtstbijzijnde woningen. Appellante woont direct tegenover het evenemententerrein en stelt dat de voorziene evenementen leiden tot ernstige en langdurige geluidsoverlast, met name door versterkte muziek. Daarnaast betoogt zij dat de geluidsbelasting als gevolg van verkeersbewegingen ten onrechte buiten het akoestisch onderzoek is gelaten.
Discrepantie tussen planregels en onderzoek
Deze uitspraak valt op vanwege een grote discrepantie tussen hetgeen de planregels toelaten en wat daadwerkelijk is onderzocht. Het akoestisch onderzoek is duidelijk niet gebaseerd op de maximale planologische mogelijkheden. Zo duurt het evenement ‘Nederhorst on Ice’ feitelijk zes weken, terwijl het bestemmingsplan het gebruik van de ijsbaan gedurende zeventien weken toestaat. Daarnaast maakt het plan op aanzienlijk meer dagen omvangrijke en luidruchtige evenementen met hoge bezoekersaantallen mogelijk dan waarvan in de planbeschrijving en de bijbehorende onderzoeken is uitgegaan. Datzelfde geldt voor het aantal toegestane uren per dag, de maximale geluidniveaus en de eindtijden.
Het beroep van appellante is daarom gegrond. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de Afdeling niet toe, het huiswerk zal eerst opnieuw moeten worden gedaan.
Verkeersbewegingen alsnog betrekken bij onderzoek
Voor dat huiswerk geeft de Afdeling wel alvast mee dat ook zal moeten worden gekeken naar de verkeersbewegingen. Op voorhand valt niet uit te sluiten de verkeersbewegingen – als gevolg van wat het plan mogelijk maakt – leiden tot een relevante geluidsbelasting. De Blijklaan is een beklinkerde weg, met ter hoogte van de woning van appellante een verkeersheuvel. Om die reden had het op de weg van de raad gelegen om de geluidsbelasting vanwege verkeersbewegingen in het akoestisch onderzoek te betrekken.
De Afdeling past geen bestuurlijke lus toe. Daarvoor zijn de gebreken te groot. Dit betekent dat de nieuwe planregeling zal moeten landen in een omgevingsplan.
Handhaving
Handhaving geluid warmtepomp Gulpen-Wittem, ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1542
Het is een veelgehoorde klacht: men kan niet met open ramen slapen, omdat het geluid van de warmtepomp van de buurman te veel herrie maakt.
Handhavingsverzoek op grond van APV
In deze zaak probeert iemand om deze klacht aan te pakken via artikel 4:6 APV waarin staat: ‘Het is verboden (buiten een inrichting) in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt’. Hij vraagt om handhaving van deze regel.
Op zich een goed haakje om deze discussie te voeren, als er zoiets bestaat als een recht om ‘met open ramen te slapen’. Dat recht is echter niet gecodificeerd in de APV en voor zover wij weten ook nergens anders. En welke geluidbelasting hoort daar dan bij?
Aansluiting geluidnormen Activiteitenbesluit
De gemeente weigert om handhavend op te treden. De gemeente zoekt haar heil bij de geluidnormen uit artikel 2.17a Activiteitenbesluit en sluit daarbij aan. Op basis daarvan laat zij twee geluidrapporten opstellen op basis van geluidmetingen ter plaatse. Uit die deskundigenrapporten blijkt dat wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit.
Incidentele overschrijding is geen geluidhinder als bedoeld in APV
De verzoeker om handhaving laat ook een geluidmeting uitvoeren. Uit dat rapport blijkt dat er in drie weken tijd één nacht gedurende korte tijd een overschrijding is geweest van de norm van 40 dB(A). Volgens de Afdeling is dit een incidentele en kortstondige overschrijding die niet maakt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:6 APV.
Dat de gemeente het serieus heeft aangepakt wordt beloond. De Afdeling is van mening dat de gemeente de rapportages die zij heeft laten opstellen op basis van onderzoek ter plaatse mocht volgen, omdat niet is komen vast te staan dat die onjuist zijn.