Jurisprudentie februari 2026

Auteurs: Daniëlla Nijman en Janneke van Eekeren, Halsten advocaten

Een selectie van de uitspraken die in de periode van 7 tot met 28 januari 2026 zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). Met twee lezenswaardige uitspraken over de normstelling voor luidruchtige evenementen en de toepasbaarheid van de Nota Limburg. Daarnaast een uitspraak over de huisvesting van arbeidsmigranten op een industrieterrein.

Evenementen

Awakenings Festival 2022: ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:361

Deze uitspraak werpt licht op de houdbaarheid van de Nota Limburg en de bruikbaarheid van de nieuwe handreiking van de NSG voor Evenementen met luide muziek.

In deze procedure gaat het over de evenementenvergunning en de geluidsontheffing die door de burgemeester en het college van B en W van Haarlemmermeer zijn verleend voor het Awakenings Festival editie 2022. De bezwaarmakers hebben zich verenigd in een aantal bewonersverenigingen en dorpsraden, waarvan de vereniging ‘GEEN N1’ de trekker is. Zij laten zich bijstaan door de NSG.

 Het Awakenings Festival mocht in 2022 maximaal 40.000 bezoekers ontvangen. Er is een verplichte eindtijd van 23:00 uur voorgeschreven en er geldt een geluidsnorm van 70 dB(A) op de gevel van gevoelige gebouwen. De evenementenvergunning is conform het Evenementenbeleid verleend.

De bedoeling van GEEN N1 is niet alleen om deze concrete vergunning aan te vechten, maar om de rechtmatigheid van het Evenementenbeleid in bredere zin aan de orde te stellen. De omwonenden hebben immers niet alleen last van Awakenings. Gedurende de 25 weken van het festivalseizoen is er bijna ieder weekend een evenement. Dit is niet incidenteel maar structureel. Volgens GEEN N1 is een geluidnorm van 70 dB(A) onder deze omstandigheden te hoog. Zij beroepen zich op artikel 8 EVRM en stellen dat er een ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op het genot van de woning, het privéleven en het familie- en gezinsleven.

Exceptieve toetsing Evenementenbeleid

De rechtbank heeft in eerste aanleg op het beroep van GEEN N1 beslist. Volgens de rechtbank kan het Evenementenbeleid niet in deze procedure worden getoetst. Daar slaat de rechtbank de plank mis. Juist omdat er tegen het Evenementenbeleid geen bezwaar en beroep open staat, kan de rechtmatigheid alleen indirect worden getoetst via een procedure tegen een evenementenvergunning die met toepassing van dat Evenementenbeleid wordt verleend. Dat is de zogeheten indirecte of exceptieve toetsing. De Afdeling geeft de vereniging GEEN N1 op dit punt gelijk. Maar wat betekent dat voor de inhoudelijke beoordeling van het Evenementenbeleid?

Toepassing Nota Limburg

De Afdeling stelt voorop dat het Evenementenbeleid regels geeft voor evenementenlocaties die al in het bestemmingsplan als zodanig zijn aangewezen. Die locatiekeuze kan dus niet meer aan de orde worden gesteld.

In het Evenementenbeleid zijn vervolgens algemene geluidsnormen opgenomen, waarbij de hoogte van de toegestane geluidbelasting afhankelijk is van de categorie van het evenement. Voor de invulling van de geluidnormen is aangesloten bij de welbekende Nota Limburg (de Nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg uit 1996). Deze Nota wordt in de gemeentelijke praktijk veel toegepast.

De Nota Limburg legt een relatie met spraakverstaanbaarheid binnen de woning. Het geluid binnen de woning zou daarom niet hoger moeten zijn dan 50 dB(A). Rekening houdend met een gevelisolatie van 20 tot 25 dB correspondeert dat met een maximaal toelaatbare gevelbelasting van 70-75 dB(A). De evenementenvergunning bevindt zich met een geluidnorm van 70 dB(A) aan de onderkant daarvan. De Afdeling overweegt dat het de vereniging GEEN N1 niet is gelukt om twijfel te zaaien over de aanvaardbaarheid van de geluidnorm. Een verwijzing naar de notitie van de NSG biedt juist aanknopingspunten voor het tegendeel. De NSG concludeert in die notitie dat in de Nota Limburg terecht aansluiting is gezocht bij ISO-Recommendation R-1996.

Geen strijd artikel 8 EVRM

Aangezien de geluidnorm aanvaardbaar is, is het Evenementenbeleid niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De lat ligt hoog om aan te nemen dat er sprake is van een daadwerkelijke inmenging in het genot van een woning of het privéleven. Er moet een bepaald niveau van ernst zijn bereikt. Een geluidbelasting van 70 dB(A) als gevolg van een evenement is aanvaardbaar. Zowel het Evenementenbeleid als de individuele evenementenvergunning, maken daarom geen inbreuk op artikel 8 EVRM.

Normstelling in dB(C) vereist?

De vereniging GEEN N1 stelt zich voorts op het standpunt dat er een geluidnorm in dB(C) had moeten worden opgelegd. GEEN N1 beroept zich op de handreiking “Evenementen met luide muziek” die in maart 2025 is opgesteld door de NSG. De NSG stelt daarin voor om als basisnorm uit te gaan van een dB(C)-norm van 80 als afgeleide van de alom gehanteerde dB(A)-norm van 70.

De Afdeling stelt voorop dat het Evenementenbeleid niet onrechtmatig is om de enkele reden dat er geen dB(C)-normen zijn gesteld. Dit is geen verplichting, ook al wordt er tegenwoordig steeds vaker een dB(C)-norm voorgeschreven.

Interessant is de volgende passage uit de uitspraak:

“Op de zitting bij de Afdeling hebben de geluidsdeskundigen Roelofsen en Westerveld uiteenzettingen gegeven over de geluidsnormering. Beide deskundigen zijn het erover eens dat de Nota Limburg in die zin is verouderd, dat die alleen ziet op de spraakverstaanbaarheid in de woning (dB(A)) en niet op de steeds vaker ervaren hinder door laagfrequente tonen (dB(C)). Echter, beiden verschilden van mening over de uitvoerbaarheid van de door de NSG in de handreiking voorgestane dB(C)-normering. Zij gaven beiden aan dat de discussie over de dB(C)-normering nog niet is uitgekristalliseerd en dat de handreiking veeleer een groeidocument is. Daarbij is er onder meer op gewezen dat de mate van hinder als gevolg van lage tonen nog niet is vastgesteld, onder andere omdat die hinder de spraakverstaanbaarheid niet beïnvloedt. Gelet hierop acht de Afdeling het niet onredelijk dat het college in het Evenementenbeleid aansluiting heeft gezocht bij de dB(A)-normering van de Nota Limburg, die een algemeen geaccepteerde status heeft.”

De aangehaalde handreiking van de NSG is in maart 2025 gepresenteerd tijdens de Nationale Geluidshinderdag. Voor degenen die daar aanwezig waren, zal het beeld dat de Afdeling schetst herkenbaar zijn. Er lijkt brede consensus te zijn dat de Nota Limburg verouderd is. De vraag is hoe het dan wel moet. De meningen verschillen over wat dan een juiste aanpak is die ook breed toepasbaar is, rekening houdend met de belangen van zowel omwonenden als organisatoren. Bij gebrek aan een bruikbaar alternatief, is het niet onredelijk dat de gemeente Haarlemmermeer in haar evenementenbeleid aansluiting zoekt bij de Nota Limburg.

Evenementen in buurgemeenten mogen buiten afweging blijven

Tot slot is vermeldenswaardig dat de gemeente Haarlemmermeer zich alleen hoeft te bemoeien met evenementen die binnen de eigen gemeentegrenzen plaatsvinden. De vereniging GEEN N1 stelt in de procedure ook hinder te ondervinden van evenementen op terreinen elders. Dit is een argument om te betogen dat de gemeente rekening moet houden met de cumulatieve overlast. Volgens de Afdeling heeft het college echter in redelijkheid geen rekening met die evenementen hoeven te houden bij de beoordeling van de aanvraag om een geluidsontheffing voor Awakenings.

Evenementenregeling bestemmingsplan ‘Bodegraven Centrum 2022’: ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:228

Ook deze uitspraak is relevant vanwege de toepassing van de Nota Limburg en het toestaan van hogere geluidniveaus.

Het bestemmingsplan “Bodegraven Centrum 2022” is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in de zin van de Crisis- en herstelwet. In het bestemmingsplan is een evenementenregeling opgenomen. Deze regeling wordt uitvoerig ter discussie gesteld door een aantal inwoners van Bodegraven.

Het lukt ze om het bestemmingsplan volledig van tafel te krijgen. Doorslaggevend is dat de gemeente helemaal geen onderzoek heeft gedaan naar de parkeerbehoefte van de evenementen en de verkeerssituatie. Ook tijdens de procedure zijn er niet alsnog onderzoeksrapporten aangeleverd. Zonder zicht op een mogelijk herstel van gebreken, kon de Afdeling geen bestuurlijke lus toepassen. Hoewel de evenementenregeling de eindstreep dus niet heeft gehaald, zijn er wel onderdelen die de moeite van het bespreken waard zijn.

Vier keer vier uur tot 87 dB(A) op/voor de gevel en 60 dB(A) in de woning

Mijn oog viel vooral op de normstelling. De gemeente heeft aansluiting gezocht bij de Nota Limburg. Gedurende de dag- en avondperiode mag het geluidsniveau in de woning als gevolg van een evenement niet hoger zijn dan 50 dB(A). Dat leidt tot een algemene geluidnorm voor de evenementen van 70 dB(A) op de gevel (meer specifiek: op twee meter voor de gevel).

De regeling bevat echter de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting toe te staan. Op vier grootschalige evenementdagen mag gedurende vier aaneengesloten uren de geluidbelasting voor de gevels van woningen maximaal 87 dB(A) en het geluidniveau in de woningen maximaal 60 dB(A) bedragen.

De gemeenteraad heeft toegelicht dat in het algemeen wordt toegestaan dat de standaardgrenswaarden maximaal twaalf keer per kalenderjaar worden overschreden voor bepaalde typen activiteiten. Volgens de raad wordt hieraan voldoen, omdat slechts op vier dagen voor vier aaneengesloten uren is toegestaan dat de standaardgrenswaarden zijn overschreden. Daarom is volgens de gemeenteraad sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Afdeling vindt deze motivering toereikend en maakt daar verder weinig woorden aan vuil.

De appellanten focussen zich vooral op het feit dat deze uitzondering is bedoeld voor de jaarlijkse Voorjaarsmarkt en Najaarsmarkt, maar dat dit niet in de planregels is vastgelegd. Dat hoeft volgens de Afdeling ook niet, omdat het planologisch niet relevant is voor welk evenement deze uitzondering precies wordt toegepast.

Meetduur 2 minuten

De planregels gaan voor de normstelling uit van een gemiddelde maximale geluidbelasting bij een meetduur van 2 minuten. Volgens appellanten moet een meetduur van 1 minuut worden gehanteerd. Een meetduur van 2 minuten zou teveel ruimte geven voor hoge pieken.

Dit standpunt van appellanten komt niet zomaar uit de lucht vallen. Een zoektocht op rechtspraak.nl leidt al snel tot een veelbesproken uitspraak over het festival Psy-Fi in 2016, waar zowel de gemeente als de voorzieningenrechter een meetduur van 1 minuut voorschreven, ondersteund door de STAB. In de praktijk is een meetduur van (overlappende periodes van) 3 minuten echter niet ongebruikelijk. De gemeente Bodegraven kiest voor een variant van 2 minuten.

De Afdeling overweegt dat in de planregels is voorgeschreven dat het meten en berekenen van de geluidbelasting in overeenstemming met de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999″ moet gebeuren. In de Handleiding zijn eisen geformuleerd waaraan een meting moet voldoen. Een van deze vereisten is dat bij immissiemetingen de minimale meetduur tussen de 2 en de 5 minuten moet bedragen. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd “geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de geluidmetingen niet de Handleiding heeft mogen voorschrijven”. Dit is een beetje een cryptische cirkelredenering. De planregels schrijven in algemene zin voor dat de Handleiding moet worden toegepast. Maar voor de meetduur is in de planregels expliciet voorgeschreven dat die 2 minuten moet bedragen. Daar is dus een specifieke keuze gemaakt. Impliciet lijkt de Afdeling te oordelen dat de door appellanten voorgestane meetduur van 1 minuut in ieder geval niet in overeenstemming met de Handleiding is. En omdat het niet onredelijk is om de Handleiding voor te schrijven…u snapt het.

Nieuw plan?

De gemeente Bodegraven zal met een nieuw plan aan de slag moeten. Er lijkt geluidtechnisch geen belemmering te zijn om in het omgevingsplan een evenementenregeling met vergelijkbare normstelling op te nemen. Het is vooral de formulering van de regels die nadere aandacht behoeft. En natuurlijk de voorvraag of het qua verkeer en parkeren allemaal houdbaar is. Maar daar gaat deze nieuwsbrief niet over.

Ruimtelijke plannen

Arbeidsmigrantenhotel op industrieterrein Roosendaal: ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:339

Het is de bedoeling om een hotel voor 300 arbeidsmigranten in verschillende logiesunits op een industrieterrein te realiseren. Omliggende bedrijven vrezen dat dit tot een belemmering van hun bedrijfsvoering gaat leiden. Zij beargumenteren dat er vanwege de hoge geluidsbelasting geen goed akoestisch woonklimaat kan worden gegarandeerd.

Ook deze zaak betreft een herstelbesluit. In een eerdere fase van de procedure is vast komen te staan dat de akoestische onderzoeken niet bruikbaar waren om vast te stellen dat er sprake was van een goed akoestisch woonklimaat voor de arbeidsmigranten. Ook waren de voorschriften in de omgevingsvergunning niet toereikend ten aanzien van de mate van de karakteristieke geluidwering van de te realiseren logiesunits. Er zijn nieuwe akoestische onderzoeken gedaan en de voorschriften zijn aangepast, waardoor de akoestische paragraaf van de omgevingsvergunning toch toereikend is.

Wonen of logies?

De Afdeling stelt eerst vast dat er geen sprake is van woongebruik. Het gaat om logies, namelijk een kortdurend verblijf van de arbeidsmigranten van maximaal 6 maanden. In de vergunning is voorgeschreven dat de arbeidsmigranten elders hun hoofdverblijf moeten houden. Daarnaast speelt een rol dat de verblijfunits een gedeelde keuken en badkamer hebben, met enkele centrale voorzieningen zoals een sportveld en wasserette. Het vergunde verblijf heeft hierdoor een onvoldoende duurzaam karakter dit als ‘wonen’ te kunnen aanmerken. Dat is belangrijk, want dat betekent dat de logiesgebouwen geen geluidgevoelige objecten zijn.

De conclusie daarvan is ook dat de logiesgebouwen geen rechtstreekse belemmering opleveren voor de andere bedrijven op het industrieterrein. Niettemin hebben deze bedrijven belang bij een beoordeling van de geluidniveaus op de logiesgebouwen, omdat de beroepsgronden ook betrekking hebben op de norm van een goede ruimtelijke ordening.

Uitgangspunten akoestisch onderzoek

Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, moet in beeld worden gebracht welke geluidbelasting de verblijfunits kunnen ondervinden. Een bestaande bedrijfswoning elders op het industrieterrein is maatgevend. Op die bedrijfswoning geldt ingevolge het Activiteitenbesluit een geluidnorm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 55/50/45 dB(A) en voor de maximale geluidniveaus 75/70/65 dB(A). Met dat vertrekpunt zijn per bedrijf de maximale bronvermogens berekend, waarmee nog kan worden voldaan aan de geluidnorm op de bestaande bedrijfswoning. Vervolgens is berekend welke geluidbelasting er bij benutting van die maximale bronvermogens ontstaat op de verblijfunits voor de arbeidsmigranten.

De voorzieningenrechter heeft eerder geoordeeld dat deze methode in de basis bruikbaar is. De gemeente hoefde niet te onderzoeken wat de feitelijke geluidbelasting van de zittende bedrijven is. Een fout die wel hersteld moest worden is dat de gemeente aanvankelijk ten onrechte is uitgegaan van een geluidnorm van 50/45/40 dB(A) ter plaatse van de bedrijfswoning. Daardoor waren de maximale bronvermogens met 5 dB(A) onderschat en de geluidbelasting die op de verblijfunits kon ontstaan dus ook. Dit is gecorrigeerd met het aanvullende akoestisch onderzoek.

De consequentie is wel dat de geluidbelasting op de verblijfunits relatief hoog is. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening heeft de gemeente – met gebruikmaking van de haar toekomende beleidsruimte – beoordeeld wat een aanvaardbaar verblijfsklimaat is. Bij reguliere woningen is dat een geluidniveau binnen de woning van 35 dB(A) voor het langtijdgemiddeld niveau en 55 dB(A) voor de maximale geluidniveaus. Omdat het hier om logies gaat, rechtvaardigt de tijdelijkheid van het verblijf volgens de gemeente een hogere geluidbelasting in de units. Een aanvaardbaar geluidniveau binnen de units is volgens de gemeente 40 dB(A) respectievelijk 60 dB(A). Om dat te kunnen realiseren, is een gevelwering van 41 dB noodzakelijk.

Appellanten stellen te betwijfelen of het mogelijk is om op een acceptabele manier met bouwkundige maatregelen een gevelwering van 41 dB te realiseren. De gemeente baseert zich op akoestisch onderzoek waarin de te nemen maatregelen zijn beschreven. Er zijn voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden om de realisatie daarvan af te dwingen. Ook is voorgeschreven dat voorafgaande aan de ingebruikname van blok 3 en 4 een proefunit moet worden gemaakt, waar met metingen aangetoond moet worden dat de benodigde geluidwering daadwerkelijk wordt gehaald.

Onder deze omstandigheden heeft de gemeente zich op het standpunt kunnen stellen dat de realisatie van de verblijfunits voor arbeidsmigranten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Enerzijds staat vast dat de bedrijven op het industrieterrein niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt, omdat de logiesgebouwen geen geluidgevoelige gebouwen zijn. Anderzijds kan een aanvaardbaar verblijfsklimaat voor de arbeidsmigranten worden gewaarborgd, vanwege de voorschriften voor de gevelwering en de verplichte proefunit. Daarmee is het voldoende dichtgetimmerd.