Jurisprudentie oktober 2026

Auteurs: Daniëlla Nijman en Janneke van Eekeren, Halsten advocaten

Een selectie van de uitspraken die in september 2026 zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). Over fysieke geluidmetingen aan windturbines, de airco-unit van de buurman, de ventilatie-unit van de hockeyclub, een voetbalveldje op het schoolplein, laden en lossen met 80 dB(A), de nog altijd relevante maximale planmogelijkheden en een einduitspraak over een recreatiepark naast een manege.

Handhaving

Rekenen of meten: handhaving windturbines Windpark Windplanblauw Dronten: Voorzieningenrechter ABRvS 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5620

De Stichting Windbrekers Swifterbant heeft de gemeente gevraagd om handhavend op te treden. Volgens de Stichting maken de windturbines uit het windpark meer geluid dan is toegestaan.

Rekenen of meten?

De discussie gaat in de kern over de vraag of de geluidbelasting mag worden berekend aan de hand van brongegevens van de fabrikant, of dat er fysieke geluidmetingen moeten plaatsvinden. Volgens de gemeente is het vaste jurisprudentie dat bij vergunningverlening mag worden uitgegaan van de fabrikantgegevens, waar typecertificaten en verificatiedocumenten aan ten grondslag liggen. Die documenten zijn gebaseerd op metingen aan het turbine-type conform de internationale norm IEC 61400-11.

De Stichting stelt daar tegenover dat er geen bronmetingenrapport is van deze specifieke V162 turbine. De berekeningen daarvoor zijn gemaakt op basis van intra- en extrapolatie van een ander type turbine. Volgens de Stichting heeft de gemeente niet aan haar onderzoeksplicht voldaan door uitsluitend te verwijzen naar de fabrikantgegevens.

Rechtbank

De rechtbank heeft de Stichting daarin gelijk gegeven (ECLI:NL:RBMNL:2026:2092). Het college kon niet volstaan met onderzoek naar de verificatiedocumenten en de bronvermogens per windklasse. Om te kunnen beoordelen of ook daadwerkelijk aan de geluidnorm wordt voldaan, zal de gemeente moeten controleren wat de feitelijke geluidbelasting is en dus fysieke geluidmetingen verrichten. De rechtbank overweegt:

“Daarbij is de rechtbank zich er van bewust dat het meten van geluid ingewikkeld is en dat er een jaarnorm geldt, maar de windturbines zijn inmiddels opgericht en al geruime tijd in werking. Het moet dus mogelijk zijn om meer inzicht te krijgen in de geluidsbelasting door een onderzoek met daadwerkelijke metingen van het geluid van de windturbines. Nu er in het geheel geen geluidmetingen zijn uitgevoerd, vindt de rechtbank de conclusie van het college dat de door de windturbines veroorzaakte geluidsniveaus niet hoger zijn dan de in het Activiteitenbesluit genoemde grenswaarden te voorbarig. Het betoog van eisers dat ten onrechte is nagelaten fysieke metingen uit te voeren slaagt dus.”

Die jaargemiddelde norm is een extra complicerende factor. Fluctuaties gedurende het jaar worden hierdoor opgevangen. Het waait immers niet altijd even hard en vanuit dezelfde richting. Met deze fluctuaties moet echter ook rekening worden gehouden bij de beoordeling of daadwerkelijk aan de jaargemiddelde geluidnorm wordt voldaan.

De gemeente heeft van de rechtbank 15 maanden de tijd gekregen om representatief geluidsonderzoek te doen en op basis van de resultaten een nieuwe beslissing op het handhavingsverzoek te nemen. Daarbij moet de gemeente motiveren waarom de gekozen onderzoekstermijn(en) en de gekozen periode(s) van het jaar representatief zijn.

Hoger beroep – voorlopige voorziening

De gemeente is hiertegen in hoger beroep gegaan bij de Afdeling. Omdat het waarschijnlijk langer duurt dan 15 maanden voordat de Afdeling een uitspraak doet, heeft de gemeente een voorlopige voorziening gevraagd. De inzet: ontheffing van de verplichting om dit nadere geluidsonderzoek te doen, in afwachting van een inhoudelijk eindoordeel over de discussie ‘meten vs. rekenen’.

De gemeente wil geen kostbare en ingrijpende onderzoeken doen als dat achteraf niet nodig blijkt te zijn. Er zal een gespecialiseerd onderzoeksbureau moeten worden ingeschakeld. Het verrichten van emissiemetingen (dus bij de windturbines) is complex, arbeidsintensief en kostbaar. Ook moeten andere windturbines worden stilgezet om de geluidproductie van een enkele turbine goed te kunnen meten. Verder is het volgens de gemeente niet duidelijk wat de resultaten van dit geluidsonderzoek kunnen betekenen voor de nieuwe beslissing op het handhavingsverzoek, omdat het jaargemiddelde normen zijn.

De voorzieningenrechter heeft alle begrip voor het ongemak, maar benadert het juridisch (zoals de taak is van de bestuursrechter). Hoger beroep heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het bestuursorgaan gehoor moet geven aan de opdracht van de rechtbank. Het is juist de bedoeling dat er hangende het hoger beroep een nieuw besluit wordt genomen, zodat direct duidelijk is hoe dat besluit er dan uitziet. Dan kan daarover een eindoordeel worden gevormd. Slaagt het hoger beroep van de gemeente, dan ontvalt de grondslag aan dat nieuwe besluit en wordt dat vernietigd. Dus het niet zo dat de gemeente dan wordt opgehangen aan het nieuwe besluit dat in de tussentijd wordt genomen. Vanwege deze juridische systematiek, is er volgens de voorzieningenrechter in beginsel geen aanleiding om de gemeente toestemming te geven voorlopig niets te doen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat van een bestuursorgaan mag worden verwachte dat het bij de beoordeling van een handhavingsverzoek de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De voorzieningenrechter is van mening dat “een berekening van de hypothetische immissie op basis van een veronderstelde bronemissie” hiervoor onvoldoende is.

De voorzieningenrechter is het wel met de gemeente eens dat een paar losse geluidsmetingen op zichzelf nog geen grond geven voor de conclusie dat de jaarlijkse geluidnorm wordt overtreden. Tegelijk overweegt hij dat werkelijke emissiegegevens wel noodzakelijk zijn om het verzoek om handhaving te kunnen beoordelen.

De voorzieningenrechter laat het aan de gemeente over om invulling te geven aan het nadere geluidsonderzoek en keuzes te onderbouwen over het moment, hoe vaak, bij welke turbines en onder welke omstandigheden moet worden gemeten. Die keuzes kan de bestuursrechter niet voor de gemeente maken.

Er is geen dwangsom gekoppeld aan het uitvoeren van de opdracht van de Rechtbank. Maar de gemeente zal hopen dat de Afdeling toch snel uitspraak doet in de bodemzaak. Want het laat zich voorspellen dat de Stichting niet accepteert dat er 15 maanden verstrijken zonder dat de gemeente is gestart met het akoestisch onderzoek, of dit zelfs heeft afgerond.

We blijven dit volgen!

Geluidoverlast airco-unit Ulft: ABRvS 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5171

Een appellant klaagt over geluidoverlast van de airco-unit van de buurman en vraagt om handhaving op basis van de APV. In de APV is bepaald dat het verboden is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben (…) dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Nadat handhaving eerst onterecht is geweigerd, gaat de gemeente toch onderzoeken of de airco-unit voldoet aan de geluidsnormen. Aangezien er geen geluidgrenswaarden gelden op basis van de APV, zoekt de gemeente aansluiting bij de geluidnormen uit art. 2.17 Activiteitenbesluit (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen).

Op basis van geluidmetingen blijkt dat deze geluidgrenswaarden worden overschreden in de nachtperiode als de airco-unit in de maximale bedrijfsstand staat. Dat levert namelijk 42 dB(A) op, inclusief een correctie voor de gevelreflectie en een toeslag voor tonaal gebruik.

De gemeente neemt een dwangsombesluit en schrijft daarin dat aan de geluidgrenswaarde in de nachtperiode voldaan kan worden als de airco-unit tijdens de nachtperiode in de stille modus wordt gebruikt, of door een geluidwerende maatregel te treffen, of door de airco-unit in de nachtelijke uren uit te zetten.

De appellant is niet tevreden. Hij vindt dat er strengere geluidgrenswaarden moeten worden toegepast, namelijk de geluidgrenswaarden die gelden voor in- en aanpandige gevoelige gebouwen. Daarin krijgt de appellant geen gelijk van de Afdeling.

Ten eerste niet omdat de Afdeling vaststelt dat de gemeente op basis van de APV beoordelingsruimte heeft om te bepalen of er sprake is van geluidoverlast als bedoeld in de APV. Ten tweede niet omdat de gemeente in het kader van die beoordelingsruimte aansluiting heeft mogen zoeken bij de geluidgrenswaarden die zij heeft toegepast. Ten derde niet omdat appellant niet heeft onderbouwd waarom de gekozen geluidgrenswaarde niet voldoende bescherming biedt.

Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de plaats waar wordt gemeten, hoort bij de norm waaraan wordt getoetst. Een op de gevel gemeten geluidsniveau kan niet worden getoetst aan een grenswaarde die geldt voor het geluidsniveau in een gebouw. Helder!

Voetbalveldje op schoolplein Nijmegen: ABRvS 30 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5812

Deze uitspraak is de zoveelste episode in een langdurig handhavingstraject, gericht tegen het voetbalveldje op het schoolplein van basisschool De Buut in Nijmegen. Wij schreven eerder over de tussenuitspraak, met verwijzing naar enkele nieuwsartikelen op de website van geluidnieuws.nl.

Kort samengevat: op het schoolplein bevindt zich een pannaveldje. Dit wordt onder schooltijd gebruikt door de school. Na schooltijd is het schoolplein ook open voor buurtkinderen. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek is getoetst of aan de normen van het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Stemgeluid wordt daarbij buiten beschouwing gelaten, omdat volgens de ABRvS geen sprake is van een binnenterrein (zie de tussenuitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4723). Het voetballen zelf veroorzaakt een overschrijding van de maximale geluidniveaus. De gemeente heeft daarom een last onder dwangsom opgelegd.

Het handhavingsverzoek is ingediend namens enkele omwonenden, waarvan de appartementen zich pal naast het voetbalveldje bevinden. Het schoolbestuur vindt dat het handhavingsbesluit te verstrekkend is. Daarnaast hebben enkele andere omwonenden zich in de procedure gemengd. Zij maken bezwaar tegen het voorgeschreven hekwerk van 2 meter hoogte. Het belang van ‘de buurt’ is echter vooral dat de buurtkinderen van het voetbalveldje gebruik kunnen blijven maken.

In deze uitspraak komt het overgangsrecht voor handhavingszaken aan de orde. De overtreding is namelijk gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het dwangsombesluit is ook onder het oude recht opgelegd. Volgens ‘de buurt’ had het nieuwe recht moeten worden toegepast op het herstelbesluit dat na de tussenuitspraak is genomen. Zij stellen dat het schoolbestuur niet als overtreder kan worden aangemerkt. Het zijn immers de kinderen die voetballen op het schoolplein. Dit roept de vraag op wie de ‘overtreder’ is onder de Omgevingswet.

Overgangsrecht handhavingsbesluiten

De ABRvS brengt eerst in herinnering dat het overgangsrecht inhoudt dat het oude recht van toepassing blijft op handhavingsbesluiten, als de overtreding vóór 1 januari 2024 is begonnen en het handhavingsbesluit ook vóór 1 januari 2024 is opgelegd. Voor handhavingsbesluiten op aanvraag is de datum van het handhavingsverzoek bepalend.

Als echter na 1 januari 2024 de materiële normstelling is gewijzigd, dan moet het bestuursorgaan beoordelen in hoeverre er naar nieuw recht nog een overtreding plaatsvindt. Dit om te voorkomen dat er handhavend wordt opgetreden tegen een gedraging die niet langer verboden is.

Materiële normstelling maximale geluidniveaus

De eerste vraag is dus of de materiële normstelling is gewijzigd. Het Activiteitenbesluit is niet meer van toepassing. Het geluid zou nu worden getoetst aan artikel 22.63 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen. Daarin zijn dezelfde maximale geluidwaarden opgenomen als in artikel 2.17 lid 1 van het Activiteitenbesluit. Inhoudelijk is dat dus hetzelfde gebleven.

Normadressaat

Is er toch een verandering in de normstelling, doordat de normadressaat onder de Omgevingswet is gewijzigd? Wie is de overtreder? Is dat de school, of zijn het de spelende kinderen?

Uit artikel 22.43 van het omgevingsplan volgt in dit geval dat degene die de milieubelastende activiteit verricht zorg draagt voor de naleving van de regels over de activiteit. Het standpunt dat in de procedure is ingenomen, impliceert dat de milieubelastende activiteit het gebruik van het schoolplein door derden is en dat deze derden door dat gebruik de geluidsnormen overtreden. Deze uitleg volgt de Afdeling niet.

De aard van de geluidsnormen, waarin zowel een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als maximale waarden voor geluid op een geluidgevoelig gebouw in de omgeving zijn vastgelegd, brengt mee dat als milieubelastende activiteit moet worden aangemerkt het bestendige gebruik van het schoolgebouw met het bijbehorende speelterrein. Bij het beantwoorden van de vraag tot wie artikel 22.43 van het omgevingsplan is gericht en wie de overtreder is, is de zeggenschap over de locatie waarop een milieubelastende activiteit verricht wordt een relevant criterium. Naar het oordeel van de Afdeling is de materiële normstelling dan ook niet gewijzigd ten opzichte van het recht zoals dat gold op het moment van het verzoek om handhavend optreden.

De gemeente heeft de overtreding dan ook terecht getoetst aan het oude recht.

Net als eerder stellen wij een nadere bespreking van de uitspraak uit in afwachting van het te nemen herstelbesluit. Dit vanwege onze beroepsmatige betrokkenheid bij deze procedure.

Ruimtelijke plannen

Opblaasbare hal hockeyclub Ypenburg: ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5528

De Hockey Club Ypenburg wil een opblaasbare hal op een veld van het hockeycomplex plaatsen. Omwonenden maken zich zorgen over geluidhinder van de ventilatie-unit die nodig is voor de opblaasbare hal.

De gemeente verleent een omgevingsvergunning voor de bouw van de opblaasbare hal en het afwijken van het bestemmingsplan. Om de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te beoordelen, is aangesloten bij de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode mag dan 40 dB(A) bedragen.

Geluidbelasting mogelijk onderschat

Volgens het akoestisch onderzoek is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 38,9 dB(A). De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB) is in de beroepsprocedure in eerste aanleg ingeschakeld door de rechtbank. De STAB concludeerde dat de geluidbelasting van de ventilatie-unit mogelijk met 3 dB is onderschat. Een geluidmeting bij een andere ventilatie-unit van een hockeyclub in Laren is namelijk niet conform de vereenvoudigde methode I.2 uit de HMRI 1999 uitgevoerd.

Controlevoorschrift en geluidmaatregel

De rechtbank heeft vanwege deze mogelijke onderschatting geoordeeld dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat de geluidbelasting aanvaardbaar zal zijn. De rechtbank stelde vast dat de gemeente geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden ter beperking van de emissie van geluid, bijvoorbeeld door het opleggen van geluiddempende constructies.

De gemeente neemt dit ter harte en verbindt vervolgens alsnog een voorschrift aan de vergunning. Dat voorschrift luidt als volgt:

“De Ventilatie-unit voor de blaashal moet worden omkist en mag alleen in gebruik worden genomen door de vergunninghouder als deze middels rapportage heeft aangetoond dat geen sprake zal zijn van een overschrijding van 3db.”

Onduidelijkheid overschrijding vs. norm

De omwonende stelt hoger beroep in. Want wat betekent dit voorschrift over een overschrijding van 3 dB? Er zit maar 1,1 dB ruimte tussen de berekende geluidbelasting van 38,9 dB(A) en de norm voor de nachtperiode van 40 dB(A). De ABRvS oordeelt dat het voorschrift op dit punt in strijd is met de rechtszekerheid. De gemeente heeft ook niet onderzocht of de voorgeschreven omkisting voldoende geluidreductie kan opleveren.

Controlerapport achteraf geen vervanging voor aanvaardbaarheidstoets vooraf

Belangrijk is dat de ABRvS deze oplossing van een controlerapportage überhaupt niet aanvaardbaar vindt. Het college moet voorafgaand aan de besluitvorming inzicht hebben in de geluidbelasting en de gevolgen die dat heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Door een controlerapportage voor te schrijven, verplaatst de rechtsbescherming zich naar de handhaving van dat voorschrift. De omwonenden zouden dan worden gedwongen om een handhavingsverzoek in te dienen als de controlerapportage er niet komt, of als zij twijfelen aan de juistheid daarvan. Het idee van een vergunning is nu juist dat op voorhand wordt getoetst of de gevolgen aanvaardbaar zijn.

Het beroep van de omwonende is gegrond. Het college moet een nieuw besluit nemen op bezwaar. Of toch niet?

Bouwtekening strookt niet met feitelijke plannen

Vanwege de nieuwe beslissing op bezwaar die moet worden genomen, gaat de ABRvS ook in op de andere beroepsgrond van de omwonende: de ventilatie-unit staat op de bouwtekening op een andere plek ingetekend dan waar de unit feitelijk geplaatst gaat worden. Het akoestisch onderzoek gaat uit van de feitelijk beoogde locatie, ten noorden van de opblaasbare hal. De plattegrond bij de aanvraag sluit daar niet op aan.

De rechtbank heeft al de tip gegeven aan de gemeente om de feitelijke plaatsing op de vergunningstekening op te nemen. Dat is niet gebeurd. De consequentie daarvan is dat een beslissing op deze aanvraag nutteloos is voor de hockeyclub. Het is immers een afwijkend plan.

Wijziging van ondergeschikte aard?

Kan dit nog worden opgelost door een gewijzigde aanvraag in te dienen? Dat kan alleen als het een wijziging van ondergeschikte aard is. In dit geval is een wijziging van de locatie van de ventilatie-unit niet van ondergeschikte aard. De exacte locatie is bepalend voor de geluidbelasting in de omgeving. De wijziging heeft dus ruimtelijke gevolgen. Andere omwonenden die niet zijn opgekomen tegen de omgevingsvergunning, hadden dat mogelijk wel gedaan indien de locatie van de ventilatie-unit correct was ingetekend. Omdat dit geen ondergeschikte wijziging is, zal de hockeyclub een geheel nieuwe aanvraag moeten indienen.

Zelf voorzien: weigeren vergunning

De ABRvS pakt meteen door. De aanvraag kan er immers per definitie niet toe leiden dat de hockeyclub het daadwerkelijk beoogde bouwplan kan realiseren. De ABRvS voorziet daarom zelf in de zaak en wijst de aanvraag af. Dat scheelt de gemeente weer een besluit.

Na een traject van ruim 8 jaar moet de vergunning alsnog het veld ruimen. De hockeyclub zal een nieuwe aanvraag moeten indienen, waarop de Omgevingswet van toepassing is. Je zou denken dat met een wat slimmere formulering van de vergunningvoorschriften, de opblaasbare hal inclusief ventilatie-unit inpasbaar te maken moeten zijn.

Laden en lossen supermarkt Steenwijk: ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5471

Het bestemmingsplan “Steenwijk, Gedempte Steenwijkerdiep 2023” voorziet in de uitbreiding van twee supermarkten en de realisatie van een supermarkt op een nieuwe locatie. Omwonenden vrezen voor geluidhinder.

De uitspraak spitst zich toe op het geluid van de bevoorrading met vrachtwagens. Er kunnen piekniveaus optreden van 80 dB(A). Dat is een stuk hoger dan de grenswaarde van 70 dB(A) uit het voormalige Activiteitenbesluit en de streefwaarden voor gemengd gebied uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.

Piekniveaus 80 dB(A) aanvaardbaar

Volgens de gemeente zijn deze piekniveaus toch aanvaardbaar, omdat er een gering aantal bevoorradingsmomenten zijn, het achteruitrijden van korte duur is en het laden en lossen inpandig plaatsvindt. Door het inpandig laden en lossen zal er volgens de raad geen sprake zijn van geluidoverlast door stemgeluid van personeel.

De voorzieningenrechter kan zich in deze motivering vinden en ziet geen aanleiding om het bestemmingsplan te schorsen.

Dit is weliswaar een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, maar de kans dat dit in de bodemprocedure standhoudt lijkt ons groot.

Omgevingswet: geen normstelling voor maximaal geluidniveau in dagperiode

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn geen standaard geluidnormen meer opgenomen voor maximale geluidniveaus in de dagperiode. De gedachte is dat piekgeluiden vooral relevant zijn voor eventuele slaapverstoring. Een gemeente kan er wel voor kiezen om de piekgeluiden in de dagperiode te normeren als daar aanleiding voor is ‘gelet op de aard of locatie van de activiteit’ (zie artikel 5.67 Bkl) maar het uitgangspunt van de wetgever is dat dit niet nodig is. Het is in Steenwijk aan de omwonenden om te onderbouwen waarom deze piekgeluiden toch onaanvaardbaar zouden zijn.

Bestemmingsplan ‘Kasteel Limbricht en omgeving’: ABRvS 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5657

Na vele edities Geluidnieuws zijn we selectief geworden in het opnemen van uitspraken waarbij het akoestisch onderzoek niet aansloot op de ‘representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden’. Deze uitspraak laat echter zien dat het geen kwaad kan dit weer even op te frissen.

Inhoud planregeling

Het plangebied omvat het landgoed Kasteel Limbricht met het kasteel, de omliggende gronden en ten zuiden van de spoorweg het monumentale pand aan Platz 1. Met het gewijzigde plan wordt beoogd de verleende omgevingsvergunningen voor Kasteel Limbricht vast te leggen, met enkele beperkingen voor het aantal slaapplaatsen en het aantal bezoekers in het geval van evenementen.

Op het landgoed De Lemborgh ten zuidoosten van het kasteel, aan de andere kant van de Allee, wordt beoogd een kasteeltuin en een multifunctioneel gebouw te ontwikkelen. Het plan maakt een gebouw mogelijk met een grondoppervlakte van 3.500 m², een maximum bouwhoogte van 11 m en een maximum goothoogte van 6 m. Ook mogen de gronden met de bestemming “Groen” voor terrassen worden gebruikt. Het overige gedeelte van het terrein wordt evenemententerrein, waarvan een deel zal worden gebruikt als overloopparkeerplaats.

Uitgangspunten akoestisch onderzoek

In het akoestisch onderzoek dat onderdeel is van de plantoelichting, is als uitgangspunt een gebouw van 1.000 m² genomen met een maximale representatieve bedrijfssituatie die maximaal 18 keer per jaar voorkomt en waarbij maximaal 200 bezoekers en maximaal 21 personeelsleden aanwezig zullen zijn. Bij dit gebouw is uitgegaan van muziek binnen, een terras aan de voorzijde van het gebouw met een maximale capaciteit van 140 personen en het daarbij behorende stemgeluid, 85 bezoeken van personenauto’s en een warmtepomp. Aan de hand van deze uitgangspunten is berekend welke mate van geluidbelasting het multifunctioneel gebouw zal veroorzaken.

Reële invulling maximale planologische mogelijkheden

Deze uitgangspunten van het akoestisch onderzoek zijn een stuk beperkter dan de planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek gaat uit van een gebouw van 1.000 m². Het bestemmingsplan voorziet in een grondoppervlakte van 3.500 m², een maximum goothoogte van 6 m en een maximum bouwhoogte van 11 m. Het plan sluit een gebouw groter dan 1.000 m² dus niet uit.

Het is zelfs zo dat het gebouw van één of twee verdiepingen kan worden voorzien, waardoor de bruto vloeroppervlakte aanzienlijk groter kan uitvallen dan de maximale grondoppervlakte van 3.500 m². Dat is niet in het onderzoek betrokken.

Ook sluit het plan niet uit dat terrassen op andere locaties binnen de gronden met de bestemming “Groen” worden gerealiseerd en/of dat het terras waarmee in het akoestisch onderzoek is gerekend, wordt uitgebreid.

De gemeente heeft hiermee geen rekening gehouden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het akoestisch onderzoek niet is uitgegaan van de representatieve maximale invulling voor het multifunctioneel gebouw zoals op basis van het plan is toegestaan.

Verder stelt de Afdeling vast dat het multifunctioneel gebouw zelfstandig kan worden geëxploiteerd. Dat betekent dat de horeca-activiteiten in het multifunctioneel gebouw kunnen plaatsvinden naast de reguliere activiteiten en evenementen die worden georganiseerd in het kasteel en op het evenemententerrein. Op grond van artikel 4.4 van de planregels wordt het aantal evenementdagen op het kasteel uitgebreid van maximaal 3 dagen naar maximaal 91 dagen, exclusief op- en afbouwdagen, waarbij ook evenementen mogelijk zijn in categorie 3 met maximaal 3.000 bezoekers.

De raad heeft op de zitting te kennen gegeven dat hij wat betreft het maximum aantal bezoekers is meegegaan in het aantal bezoekers dat de initiatiefnemer beheersbaar acht. Voor het multifunctioneel gebouw is in de planregels geen maximaal aantal bezoekers opgenomen. Op de zitting heeft de raad weliswaar toegelicht dat het multifunctioneel gebouw ten dienste staat van de kasteeltuin, maar dit voorgestane gebruik is niet vastgelegd in de planregels. Dat betekent dat zowel evenementen met 3.000 bezoekers in het kasteel als horeca-activiteiten binnen het multifunctioneel gebouw of buiten op het terras gelijktijdig kunnen plaatsvinden. De gemeente heeft de gevolgen van deze eventuele gelijktijdige exploitatie ook niet onderzocht.

Vanwege al deze discrepanties tussen het akoestisch onderzoek en de maximale planologische mogelijkheden, gaat er een streep door het plan. De Afdeling neemt niet de moeite om de overige beroepsgronden over geluid, parkeren en verkeer in het kader van evenementen inhoudelijk te bespreken.

Vervolg recreatie naast manege Twenterand: ABRvS 30 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5808

Op 7 mei 2025 deed de Afdeling een tussenuitspraak over de mogelijkheden om recreatie uit te breiden nabij manege De Lourenshoeve. Dat is een manege en een vakantiepark in Den Ham. Wij schreven hierover al eerder.

Manege De Lourenshoeve vreest dat de uitbreiding van de recreatie om haar heen, leidt tot een aantasting van het verblijfsklimaat in en bij de woningen op haar terrein (een bedrijfswoning en enkele recreatiewoningen). Dit is de einduitspraak van de Afdeling.

De Afdeling had in haar tussenuitspraak geoordeeld dat er van alles schortte aan het bestemmingsplan voor de uitbreiding van een manege aan de noordkant van De Lourenshoeve en voor Adventure Point dat aan de zuidkant van De Lourenshoeve ligt. Een groot probleem was dat de gemeente niet had gemotiveerd welke geluidbelasting aanvaardbaar zou zijn (welk beschermingsniveau is nodig) op de gevels van en rondom de recreatiewoningen en de bedrijfswoning.

Vanwege de tussenuitspraak van de Afdeling heeft de gemeente akoestisch onderzoek laten doen. De gemeente heeft een herstelbesluit genomen, waarin specifieke planregels zijn opgenomen om vast te leggen wat de toegestane geluidbelasting mag zijn op de gevels van en rondom de recreatiewoningen en de bedrijfswoning in de representatieve bedrijfssituatie van de manege en Adventure Point en in de incidentele bedrijfssituatie van de manege.

In het herstelbesluit heeft de gemeente in eerste instantie gemotiveerd waarom aansluiting kon worden gezocht bij de maximale geluinorm van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid en de VNG-brochure. De gemeente heeft dat gedaan door alle activiteiten die in dat gebied werden verricht te benoemen – allemaal recreatieve activiteiten – en zo gemotiveerd dat in die omgeving er al de nodige reuring is en een hogere milieubelasting tot de bovengrens daardoor aanvaardbaar is. De Afdeling keurt dat goed.

De gemeente heeft in haar planregels bepaald dat er sprake is van strijdig gebruik voor de gronden met de bestemming ‘recreatie’ als niet wordt voldaan aan de in die planregels opgenomen langtijdgemiddelde geluidgrenswaarden op de gevel van de recreatiewoningen (50-50-45) en de bedrijfswoning (50-45-40). De Lourenshoeve is van mening dat deze grenswaarden niet gehaald kunnen worden in de avond- en nachtperiode, omdat de nabijgelegen horecagelegenheid open mag zijn tussen 19:00 uur en 1:30 uur.

Uit het akoestisch onderzoek bij het herstelbesluit blijkt echter dat in de avond en in de nacht aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan voor wat betreft de horeca-activiteiten en de voertuigbewegingen. De Lourenshoeve heeft die berekeningen niet bestreden. De Afdeling oordeelt dat een strengere norm niet hoeft te worden toegepast, omdat de gemeente heeft gemotiveerd dat hoger geluidnormen op de gevel van recreatiewoningen (50-50-45) aanvaardbaar zijn omdat deze bedoeld zijn voor tijdelijk verblijf. Dat De Lourenshoeve de voorkeur geeft aan lagere geluidnormen, betekent niet dat de gemeente gehouden was om die ook te hanteren.

Datzelfde oordeel heeft de Afdeling voor de geluidgrenswaarden die in het bestemmingsplan zijn opgenomen voor de bestemming “Sport” (manege aan de noordkant van De Lourenshoeve). Aangezien De Lourenshoeve het akoestisch onderzoek van het herstelbesluit waaruit volgt dat aan de geluidgrenswaarden voor de geluidbelasting op de recreatiewoningen ten gevolge van de manege/de paardrijsport kan worden voldaan, niet heeft bestreden, is de Afdeling van mening dat deze geluidgrenswaarden gehanteerd mogen worden.

In de planregels zijn ook geluidgrenswaarden opgenomen voor diverse incidentele bedrijfssituaties. Het gaat om allerlei activiteiten, die in totaal vele dagen in het kalenderjaar kunnen bestrijken: maximaal 17 dagen hippische wedstrijden waarvan maximaal 12 dagen ook hippische wedstrijdactiviteiten buiten de gebouwen, ringsteken inpandig in een gebouw, clubkampioenschap buiten het gebouw met geluidversterking voor 1 dag, manege-activiteiten buiten het gebouw zonder mechanische geluidversterking, overige in de buitenlucht te houden hippische wedstrijden en/of concoursen met een maximum van 12 dagen, een paardenmarkt voor 1 dag, en diverse andere activiteiten die geen betrekking hebben op de paardensport, zoals rommelmarkten, country- en of gardenfairs etc. voor maximaal dagen, waarbij het opbouwen en afbreken van voorzieningen voor het evenement voor ten hoogste 1 dag per evenement is toegestaan. De evenementen zijn slechts toegestaan tussen 7:00 en 23:00 uur.

In de tussenuitspraak was geoordeeld dat de gemeente moest beoordelen welk beschermingsniveau toekomt aan de recreatiewoningen tijdens deze incidentele bedrijfssituaties. In het herstelbesluit is beoordeeld dat in die situaties een maximaal geluidniveau van 58 dB(A) een aanvaardbaar verblijfsklimaat is bij de recreatiewoningen van De Lourenshoeve. Het is volgens de gemeente aanvaardbaar omdat het gaat om een beperkt aantal evenementen per jaar. De evenementen mogen maar duren tot 23:00 uur en het gaat niet om permanent wonen.

De Afdeling keurt die motivering goed. Zij acht het van belang dat in de planregels het aantal evenementen per jaar en het aantal uren per dag waarop eendaagse of meerdaagse evenementen mogen plaatsvinden beperken.

De Afdeling komt tot de conclusie dat de gemeente haar huiswerk voor wat betreft het aspect geluid goed heeft gedaan.

Afbeeldingen bij onze artikelen zijn enkel ter illustratie. Ze hebben geen directe relatie met de beschreven actualiteit.